Pretpakket

Vorige week liep ik om iets over half negen de school binnen. Een groepje leerlingen uit de derde klas liep hard pratend en lachend juist naar buiten. Een uur lesuitval en dus naar de supermarkt voor chips, broodjes frikandel en energydrank. ‘Hey’, riep de ene jongen naar dat blonde meisje, ‘ga jij dat pretpakket kiezen, ben je dom of zo?’

 

Ik was al binnen en hoorde niets meer. Die leerlingen zijn nog maar 14, 15 hooguit, die zijn nog jong. Maar die mening over het pretpakket is al oud, heel oud. Hun ouders zijn ouder. Zouden ze het achterhaalde principe van het pretpakket via de genen hebben meegekregen? Nurture of nature?

 

Is het wel zo’n pretje, dat zogenaamde pretpakket? De talen hebben meer studielasturen; meerdere vaardigheden. De lappen tekst van geschiedenis en aardrijkskunde zijn ook niet voor de poes en dan ook nog kunstgeschiedenis? Misschien denk ik te makkelijk over bèta, maar formules integreren en toepassen is toch niet zo moeilijk, als je het begrijpt?

 

Op de nieuwjaarsborrel van de tennisclub (ik tennis niet, mijn man wel) sprak ik een 65-jarige hardcore bètaman. Na koetjes en kalfjes, smashpoints, een pracht van een rally en een strakke backhand kwam er eindelijk iets interessants uit zijn mond. Hij had als zeventienjarige niet een vrije keuze in opleiding kunnen maken. Zijn ouders vonden techniek de enige optie. Hij deed dat braaf en was er ook goed in. Alfavakken lagen hem niet. Goede keuze. Techniek is makkelijk, zei hij. Dat valt namelijk te leren. De vaardigheden die je nodig hebt om met mensen om te gaan en werken, zijn vele malen moeilijker te leren. Aha!

 

Ik was een CM-meisje zónder wiskunde. Drama was het, wiskunde en de bijlessen. Uiteindelijk, na mijn derde opleidingskeuze - ik ben niet voor niets decaan geworden later - kreeg ik te maken met het vak Statistiek in mijn propedeusejaar. Wederom een drama. Hetzelfde gevoel uit mijn middelbare schooltijd kwam terug. Na de derde poging bleef nog één poging over. Ik pakte mijn werkwijze aan en stond elke dag aan de desk van mijn docent voor nadere uitleg. Huilend soms. Resultaat: een 9,5! Trots dat ik was op mezelf!

 

Hoe dan ook: er is nog altijd een grote groep ouders die het CM profiel niet goed genoeg vindt. Waarom? Om daarom. Met exacte vakken kun je meer, kennelijk. En er is nog altijd een nóg grotere groep ouders die minimaal havo wenst voor hun kind. Waarom? Dan kun je meer kanten op. Zegt iedereen.

Ik ga binnenkort aan de slag als decaan BBL, KBL, GL, GTL. Ik weet zeker dat ik jullie in de toekomst vast hele mooie succesverhalen kan vertellen!

Rebecca Stavast, decaan bovenbouw

De oase van de open ruimte van het Levensvisieboek

Traditiegetrouw maken leerlingen in 5 havo en 5 vwo als laatste opdracht van het schoolexamen voor het vak Levensbeschouwing het Levensvisieboek. Of beter gezegd hun levensvisieboek.
Aan de hand van de onderdelen verleden (1): wat zijn de wortels van mijn leven (o.a. mijn familie, levensbeschouwing die ik van huis heb meegekregen) en mijn levensgeschiedenis geven leerlingen hun antwoord op deze vraag.

Daarna wordt de leerling gevraagd een beeld te geven van zijn/haar leven: hoe sta ik op dit moment in het leven (2).  Aan de hand van een aantal dimensies vragen we de leerling een beeld te geven van zijn/haar leven:
•    Zingevingsdimensie: waar leef ik voor, wat is voor mij heel zinvol?
•    Expressiedimensie: hoe uit ik mijn gevoelens?
•    Rituele dimensie: hoe vier ik het leven, welke momenten en data zijn belangrijk?
•    Sociale dimensie: waar hoor ik bij, waar voel ik mij echt thuis?
•    Ethische dimensie: mijn opvattingen over goed en kwaad en welke waarden vind ik belangrijk hoe laat ik dat in mijn dagelijkse leven zien?
•    Doctrinele dimensie: waar geloof ik in, wat zijn mijn lijfspreuken en uitgangspunten? Waarin blijf ik “heilig” in geloven?

Daarna neemt de leerling ook nog even een kijkje in zijn/haar toekomst (3). Hier worden vragen besproken als: wat wil ik later gaan doen, wat zou ik vreselijk vinden als het om mijn en onze toekomst gaat, en wat is mijn toekomstideaal: hoe moet de wereld er over 20 jaar uitzien? 

Het levensvisieboek wordt afgesloten met een slotwoord (4) waarin leerlingen kort beschrijven hoe ze het werken aan dit verslag hebben ervaren en welke zaken ze over zichzelf geleerd hebben of opgevallen zijn. Hier geeft het overgrote deel van de leerlingen aan dat ze het erg fijn vinden dat ze eindelijk voor een praktische opdracht een keer geen informatie van het internet moeten halen. Geen digitaal geknip en geplak. Nee, de informatie zit in henzelf en is overal beschikbaar. ‘s Avonds met muziek op de achtergrond of ‘s morgens bij een kop koffie: je hoeft niets aan te zetten, behalve jezelf.

En zo ervaar ik als docent dat leerlingen deze open ruimte van het levensvisieboek als een oase ervaren in de opeenstapeling van andere opdrachten.
Deze opdracht leeft met je mee en is nooit helemaal af. En dat is maar goed ook.

 

 

Peter van Lange, docent

"Hopelijk heb ik een zaadje geplant"

Een vinger gaat omhoog in 4H6. ‘Mevrouw, ik weet allang wat ik wil worden en studeren - triomfantelijke blik en vervolgens armen over elkaar - ‘dus,' vervolgt ze,’ hoef ik geen andere opleidingen te onderzoeken’.

‘Aha’, denk ik, ‘alweer een mazzelaar die het nu al weet’. ‘Nou’, zeg ik, ‘fijn dat je het al weet. Welke opleiding?' ‘Pabo', vertelt ze en ze kijkt tevreden. ‘Dus je wil voor de klas in het basisonderwijs, nou, ze kunnen daar genoeg mensen gebruiken. Welke LOB-activiteiten heb je ondernomen om tot deze keuze te komen?' Ze kijkt me aan alsof ik Russisch praat. ‘Huh?... eehh…’

Gelach van die ene club jongens, die alles grappig vinden als het maar niet over hun gaat. Ik leg op het digibord een LOB-opdracht uit en de klas gaat rumoerig aan de slag.

Ik loop naar het pabo-meisje en vraag wat ze over de pabo-opleiding weet.

Een meisje dat het vanaf de brugklas al weet, een bevestigende omgeving heeft, ouders, vriendinnen, en een niet heel reëel, romantisch beeld over het leraarschap in stand houdt. Eén open dag heeft ze bezocht en heeft alleen gevonden wat ze wilde horen. Ze is niet de eerste, enige en zeker niet de laatste.

Onlangs is uitvoerig onderzoek gedaan naar triggers voor uitval in het eerste jaar op het hbo. Wat overduidelijk is gebleken is dat studenten die minder goed onderzoeken en of zich minder aan keuze committeren tevens de studenten zijn die vanuit extrinsieke motivatie of zonder specifieke redenen aan een opleiding beginnen. Risico op uitval is dan enorm. Pabo-meisje lijkt hierin te passen.

Het is mijn plicht om haar samen met de mentor te stimuleren vooral nóg meer open dagen te bezoeken, meeloopdagen te regelen en ook aanverwante opleidingen te onderzoeken. Dán kan ze reflecteren en bepalen of een juiste keus inderdaad de pabo is. Ik betwijfel het. Hopelijk heb ik een zaadje geplant en heeft ze toch een fijn weekend. De bel gaat en ze loopt enigszins beteuterd weg. Tsja…

Rebecca Stavast, decaan bovenbouw

Kiezen

Ooit heb ik serieus overwogen om het onderwijs vaarwel te zeggen. Ik was achter in de veertig, zat al jaren in het onderwijs en voelde me opgedroogd. Moe, inspiratieloos en al dat nakijkwerk helemaal zat. Er was ook dat andere dat steeds maar aan me bleef trekken: het creatieve, de kunst, dingen maken. Al op de middelbare school was dat het dilemma, ga ik iets creatiefs doen of iets met talen. Toen ik later nog een opleiding beeldende vorming deed, werd ik helemaal bevestigd: iets maken geeft me een enorme kick. Tijd voor een andere keuze?

Hup, ik naar een open dag van Larenstein in Velp, de deeltijdopleiding tuin- en landschapsarchitectuur. Ga maar studeren, zei mijn vrouw, we kunnen best van mijn salaris leven. Daar kwam alles samen, ontwerpen en bezig zijn met groen. Toen nog een meeloopdag, ook al zo leuk.

En toch heb ik de stap niet gezet. Ik probeerde me het leven na de opleiding voor te stellen. Helemaal in mijn eentje een tuin ontwerpen of jarenlang voor een ontwerpbureau aan een project werken. Een leven zonder de drukte, gezelligheid en inspiratie van leerlingen en collega’s, dat leek me echt moeilijk. Na lang aarzelen heb ik de knoop doorgehakt en opnieuw gekozen voor het onderwijs. Maar dan anders, echt de focus op onderwijs en de dingen met aandacht doen. Ik heb toen gedaan waar ik mezelf de tijd nooit voor had gegund: projecten bedacht, serieus werk gemaakt van doeltaal voertaal, contact gezocht met SLO voor inspiratie. Het werd weer leuk.

Heel af en toe, bij een tentoonstelling van de designacademie in Eindhoven, op het Festival des jardins in Chaumont, bij Kunstuur waar die maffe Lucas de Man kunstenaars in hun atelier bezoekt, popt er weer een momentje van twijfel op. Maar vrij snel daarna denk ik: nee Jos, het is goed zo. De dingen half doen heeft geen zin. Als het niet tegelijk kan, dan maar na elkaar.

 

Jos Baack, docent

"Na een paar weken kwam de omslag. Dat gevoel was onbeschrijflijk."

"Stop het in je rugzak"

Toen ik de brieven, verhalen en gedichten las uit de inspiratiebundel "Hartverwarmend", kwam het spontaan in mij op: wat een goudmijn, al die ervaringen van leerlingen en docenten. Dit verzin je niet, dit gebeurt. Eén zin bleef hangen: ‘Stop het in je rugzak!’ Prachtig beeld voor een leerling: een rugzak, dichtbij, tegen je rug aan, maar ook een beetje buiten je, je kunt hem naast je neerleggen.

 

Wat zit er allemaal in mijn rugzak? Bovenin zitten de dingen die mijn aandacht vragen: mijn huiswerk moet af, de toets moet gehaald worden, de spanning van een keuze die eraan zit te komen, confl icten thuis of op school.

 

Direct daaronder liggen sfeergevoelige zaken. Voel ik mij veilig? Weet ik mij aanvaard, door mijn klasgenoten, door de docent, door mijzelf? Word ik gelijkwaardig behandeld – bij alle verschil? Verveel ik mij of durf ik mee te geven met het enthousiasme van een docent, die mij met kennis van zaken inwijdt in zijn vak? Heb ik plezier in school? Of zit ik heel ergens anders met mijn hoofd? Mag ik een tijdje onzeker zijn, alstublieft?

 

Aan de zijkant van mijn rugzak zit een vakje met rits, voor mijn mobieltje. Daar kijk ik mee naar buiten, maar vooral naar binnen. Voorzichtig, het is mijn wereld, een wereld voor mijzelf. Aan de andere kant het vakje met mijn waterfles. Voor als ik dorst heb of gewoon even niks wil.

 

Onderin mijn rugzak zitten mijn dromen en herinneringen. Ik weet eerlijk gezegd zelf niet wat daar zit. Misschien ben ik er nog niet aan toe. God bijvoorbeeld. Waar word ik echt gelukkig van? Weten wie je werkelijk bent. Waarvoor je bestemd bent. Waar je sterke punten liggen.

 

Dat ik al een beetje lekker in mijn vel zit. Allemaal onder in mijn rugzak. Het kan nog even wachten. Zoals een dagboek dat ik later nog eens rustig doorlees. Daar bewaar ik mijn kwetsbaarheid, die me misschien wel mooi maakt?

 

Het is al jaren geleden dat ik zelf eindexamen deed, maar mijn rugzak is nog steeds niet leeg. Er zitten vooral vragen in. Hoe zal het ons vergaan op deze aarde? Zullen de onderbuikgevoelens het winnen? Zullen de armen steeds armer worden? Kan moeder aarde onze welvaart dragen? Vragen waarmee ik de toekomst intrek en die mij gelukkig maken. Wie hiervan de smaak te pakken krijgt, kan niet meer stoppen. Het smaakt naar meer.

 

Kees Waaijman,

Karmeliet

"Ik heb geen moment spijt gehad van mijn overstap"

Mijn naam is Marc Bolscher en ik ben 43 jaar jong. Net als velen (zoals ik vaak hoor van anderen) wist ook ik na het behalen van mijn havodiploma echt niet wat ik wilde gaan doen. Geen enkel vak op de middelbare school vond ik echt leuk. Dit betekent overigens niet dat ik mijn middelbare schooltijd als een vervelende periode heb ervaren. Integendeel! Ik bewaar er enorm goede herinneringen aan. De sfeer op school, de humor van en de omgang met een aantal docenten. Ik denk er nog met veel plezier aan terug.

 

Ik was echter zo’n leerling met heel andere interesses, zoals ik ze nu ook wel eens in de klas zie. Je bent 16 jaar en je wilt wat (of niks). School zag ik als een noodzakelijk kwaad en het behalen van een diploma zag ik meer als een must van mijn ouders dan van mijzelf. De economische vakken vond ik het minst vervelend. Na vervolgens mislukt te zijn op de heao stond ik na het behalen van mijn meao-diploma weer voor de keus van een vervolgopleiding. Inmiddels was ik een paar jaar ouder en een stuk serieuzer. De lerarenopleiding tot docent economie, dat leek me wel wat. Maar wat als ik er na vier jaar anders over zou denken? Ik heb er daarom toch voor gekozen de opleiding bedrijfseconomie te gaan volgen. Mijn latere “switch” is dus niet zomaar uit de lucht komen vallen.

 

Na het behalen van mijn diploma heb ik ruim tien jaar in het bankwezen gewerkt als adviseur voor bedrijven. In deze functie ben je het eerste aanspreekpunt voor ondernemers. Je adviseert en beoordeelt onder andere investeringsvraagstukken en financieringsverzoeken voor hun onderneming, maar ook voor hun privésituatie. Ik vond het geweldig hierbij een sparringpartner te kunnen zijn voor ondernemers en collega’s. Na een aantal jaren werden de financiële producten echter steeds meer gestandaardiseerd, waardoor ik mijn werk steeds minder leuk begon te vinden. In mijn “bankperiode” heb ik ook enkele jaren meegewerkt aan een project op een middelbare school. Ik hielp daarbij leerlingen met hun profielwerkstuk. Ik vond dat een geweldige ervaring. Hoe leuk is het je kennis te kunnen delen met leerlingen en vragen te beantwoorden waar je zelf niet bij stilstaat? Overigens meestal heel goede vragen! Leerlingen die ongeïnteresseerd leken, bleken door ze te “triggeren” opeens helemaal niet ongeïnteresseerd, maar tot heel creatieve dingen in staat.

 

Mijn bankfunctie vond ik steeds minder leuk en omdat ik graag zelf de regie houd, heb ik op basis van de ervaringen en het goede gevoel ongeveer zeven jaar geleden besloten de stap naar het onderwijs te zetten. Ik dacht: “Het is nu of nooit.” Ik ben begonnen met de tweedegraads lerarenopleiding tot docent economie en tijdens de verschillende stages merkte ik al dat ik het juiste besluit had genomen. Niet alleen het lesgeven is erg leuk, maar ook de gesprekken met de leerlingen over hun belevingswereld zijn onbeschrijfelijk. Zowel voor als tijdens de lessen, in het mentoraat, en ook in pauzes en tijdens uitstapjes. Natuurlijk was de stap die ik heb gezet groot en spannend. Immers, wat als ik geen baan zou kunnen vinden of als ik toch niet geschikt zou zijn als leraar? Ik heb wel een verantwoordelijkheid naar mijn gezin toe. Je komt er echter maar op één manier achter. Gelukkig heb ik nog geen enkel moment spijt gehad van deze stap. Lees verder 

"(Weer) fluitend naar m'n werk"

In 2006 heb ik de overstap van de elektrotechniek naar het onderwijs gemaakt. Ook om meer tijd te hebben voor mijn eigen kinderen. Ik voelde me direct thuis op mijn school, waar ik vooral onderhoudswerk deed en de sectie muziek ondersteunde. Dus had ik veel contact met betrokken leerlingen. Vooral de feesten met kerst en de zogenaamde discoclub vond ik prachtig. Het leek wel alsof die leerlingen de schoolleiding waren, zo natuurlijk ging dat. Ik vond die gemoedelijke sfeer en de samenwerking met die leerlingen wonderlijk plezierig. Als ik er nu aan terugdenk, word ik nog helemaal blij.”

Aan het woord is conciërge Marcel Schildkamp. Hij vervolgt: “Laat mij maar dingen met mijn handen doen, zodat ik iets kan fiksen voor en met andere mensen. Docenten en leerlingen bijvoorbeeld. Tijdens de musical in onze tijdelijke behuizing heb ik genoten van dat soort samenwerking. Licht en geluid doen, of gewoon een fiets repareren voor een leerling. Het is jammer dat ik daar nu nauwelijks meer tijd voor heb. Een keer bezweet naar huis heen gaan, vind ik ook geen probleem, want dan zit ik daarna thuis tevreden op de bank.

Als je me dan wel eens fluitend door school ziet en hoort lopen, dan kun je aan het fluiten horen, dat ik het naar mijn zin heb.”

Marcel Schildkamp,
conciërge

Fan van je lessen

Fan van je lessen

 

“Drie jaar lang, in de onderbouw, heeft ze moeite gehad met Engels en na één les bij de nieuwe docent snapt ze de grammatica wel.” Ik val middenin het gesprek tussen collega’s terwijl ik de docentenwerkruimte inloop. Terwijl ik mijn kopie uit de printer haal begrijp ik de strekking van het verhaal en denk hoe mooi het zou zijn om zo’n constatering, dat een leerling je vak begrijpt, als compliment te geven aan de desbetreffende collega die de les gegeven heeft.

We klagen wat af, met z’n allen. Over de werkdruk, deadlines, lastige leerlingen, moeilijke ouders, iets te sterk ruikende collega’s of het management dat weer een nieuwe top-down oplossing heeft ingevoerd. Het geeft potentieel stress op de werkvloer, iets dat we absoluut niet kunnen gebruiken in ons vak, dat toch al zoveel druk geeft. We houden constant onze bordjes draaiende op het toneel.

Gelukkig zijn er ook momenten dat je met elkaar op een terrasje zit of in een café samen borrelt, soms krijg je in een gesprek zelfs te horen dat die-en-die leerling zo’n fan van jouw lessen is, terwijl je dat van die leerling zelf nog helemaal niet door had. Dat soort momenten moet je koesteren, want het zijn de zeldzame momenten waarop je begrijpt dat jouw lessen en alle moeite die je elke keer weer doet om ze verder te krijgen, echt waardevol zijn.

Leraar is het mooiste vak dat er bestaat. Om onzekere pubers die nog weinig weet hebben van hun toekomst te mogen begeleiden in de zoektocht er naartoe, is bijzonder waardevol. Het is voor velen van ons de drijfveer geweest om in het onderwijs te willen werken, idealisten als we zijn. Onthoud daarom de momenten dat je een compliment krijgt, van een ouder, een schoolleider, een collega of een leerling, want ze zijn immers onbetaalbaar en onmisbaar om aan het eind van de werkdag met een opgewekt humeur naar huis te gaan.

Ik was in ieder geval maar wát blij om te horen dat het gesprek over de Engelse grammatica over mijn les ging. Mijn weekend kon niet meer stuk.

 

Olaf Koot, docent en mentor

"Zij inspireert ons om een beter mens te worden"

Ze brengt haar lessen vol passie. Haar lessen zijn productief en wordt er geen tijd verspeeld aan onzinnig getouwtrek tijdens, maar vooral aan het begin van de lessen. Het gemak waarmee ze lesgeeft geeft aan dat ze een vakvrouw is, gemaakt voor dat wat ze doet. Het is ontzettend fi jn om les te krijgen van zo’n persoon, omdat dat zijn weerspiegeling vindt in het gedrag van de klas en de kwaliteit van de lessen. En ook omdat het aanzet tot het onderzoeken waar jouw eigen kwaliteiten liggen. Loes brengt haar lessen vol passie. Neem bijvoorbeeld een les waarin ze boeken aanprijst die je kan lezen voor de lijst, dan straalt het enthousiasme ervan af. Het is zó belangrijk dat een docent plezier heeft in wat hij doet en passie heeft voor het vak waarin hij lesgeeft. Die passie is aanstekelijk en maakt de sfeer in de klas ook beter.

Nòg belangrijker is zij als mentor. Ze is vooral een heel vriendelijk en lief mens met alleen maar goede intenties. Ze heeft zichzelf min of meer bekroond tot schoolgaand moederfiguur. Nog nooit was iemand zo oprecht betrokken bij de klas. En dan ook de hele klas. Als iemand een grote uitvoering heeft van muziek of een belangrijke wedstrijd moet spelen, zal zij er een ‘Zet ‘m op!’-appje achteraan sturen. Ook is ze befaamd door onder andere haar uitspraken als “stop het in de rugzak’’ (wat zoveel betekent als dat je stress moet accepteren, zodat je vervolgens rustiger wordt). Leerlingen voelen dat ze gelijkwaardig en fair behandeld worden, iedereen voelt zich veilig en geaccepteerd en dat schept eenheid in de klas.

Ze heeft veel oog voor het individu. Zit je een keer slecht in je vel, dan merkt ze dat op. Dan komt ze naar je toe en vraagt of je de behoefte hebt om even een gesprekje te voeren. Als je dat dan doet biedt ze een goed luisterend oor en is ze oprecht geïnteresseerd. Ze houdt in het vervolg subtiel rekening met je, zonder dat iedereen dat hoeft te merken. Die open houding voel je heel sterk en ze voelt voor ons daardoor echt als iemand waar we op terug kunnen vallen. Veel leerlingen uit onze klas hebben wel eens zo’n gesprek met haar gehad en we kennen allemaal de rust die ze dan uitstraalt. Het is bijzonder, iemand die zo haar best doet om ervoor te zorgen dat iedereen zich op zijn of haar gemak voelt. En dat inspireert om zelf ook een beter mens te worden. Hoe mooi is het als een docent dat voor je kan doen? 

Marije, Vera en Marco,
leerlingen van Loes Scholder

"Pure luxe: vijf uren per week doorbrengen met lieve, levenslustige en creatieve jonge mensen."

Ik wist niet dat het kon: zó verknocht raken aan je mentorleerlingen dat het voelt als een fijne vriendschap. Maar het kan, blijkbaar.

 

Ruim twee jaar geleden kreeg ik een 4atheneum-mentorklas, na jaren geen mentor te zijn geweest. Mijn laatste mentoraat stamde uit 2009, daarna heb ik de debatclub begeleid, waardoor mijn takenpakket vol zat. Ik had goede herinneringen aan de jaren waarin ik mentor was, maar ik wist ook dat het mentoraat lastig kon zijn, dat er altijd leerlingen tussen zitten die een rugzak vol problemen met zich meedragen en dat je als mentor de lusten maar zeker ook de lasten voor je kiezen krijgt: spijbelen, conflicten, slechte resultaten, telefoontjes met bezorgde ouders. Ook dát is het mentoraat. Dus ik was benieuwd naar wat me te wachten stond.

 

En toen ontmoette ik dertig geweldige jonge mensen. Vanaf het begin was de sfeer in de klas goed en dat werd bevestigd toen ik een paar dagen later met de leerlingen op de Hoge Veluwe rondliep. Er was direct prettig contact, we hebben veel met elkaar gelachen en er was wederzijdse belangstelling. Dat voelde goed.

 

In de afgelopen twee jaren heb ik alle leerlingen goed leren kennen, zelfs de leerlingen die stiller zijn en liever de kat uit de boom kijken. Ik geef mijn mentorklas drie uren Nederlands in de week; daarnaast zie ik ze tijdens twee mentoruren. Ik beschouw dat als pure luxe: vijf uren per week doorbrengen met lieve, levenslustige en creatieve jonge mensen. Uiteraard voer ik regelmatig mentorgesprekjes, maar daarnaast laat ik de leerlingen ongeveer drie keer per jaar een brief schrijven aan mij. Daarin mogen ze vertellen wat ze willen; wie ze zijn, wat hen bezighoudt, hoe ze tegen het leven en school aankijken, wat ze van mij als mentor verwachten. Die brieven zijn goud waard. De meeste leerlingen durven in zo’n brief meer te vertellen dan in een gesprekje en vaak gebruik ik de brieven als opstapje naar contact. Nu de leerlingen in 6 atheneum zitten en ik ze goed ken, plan ik niet zo vaak een gesprek in. Veel liever loop ik met een leerling op in de gang, blijf na de les hangen in een lokaal met een paar jongens en meiden of ga ik naast een leerling zitten als hij of zij alleen in de aula zit. Ik heb zelfs een fietsmaatje: Marije fietst bijna dagelijks met mij mee naar school.

 

Een perfecte mentor ben ik niet, zeker niet. Maar ik denk dat mijn kracht zit in het observeren, het luisteren en het relativeren. Ik oordeel zelden en vind niet snel iets vreemd. Ik merk dat leerlingen gemakkelijk op me af stappen, soms met de kleinste dingen. Ik geniet van het verschil tussen alle leerlingen, van hun levenslust, de humor, van hun intelligentie en alle onzekerheden. Waar veel leerlingen - vooral meisjes - uit mijn groep vaak last van hebben, is onzekerheid en keuzestress. Door hun kwaliteiten hebben ze zóveel mogelijkheden in het leven, dat ze niet meer weten wat ze moeten doen. Ik probeer dan vooral te relativeren: “Maak het niet lastiger dan het is; als je een keer een verkeerde keuze maakt, hoeft dat niet te betekenen dat je hele leven in puin ligt.” Daarnaast probeer ik leerlingen te laten luisteren naar hun hart: “Waar word jij echt gelukkig van?” Lees verder 

De “andere school”: die is er al(lang)!

Bij de woorden school en onderwijs komen bij veel mensen beelden op die te maken hebben met op welke manier ze zelf les hebben gehad. Dat kan zijn een klaslokaal met leerlingen “in de bus” (drie rijen van twee leerlingen) en een leraar die voor de klas staat of zit en zijn verhaal doet, al dan niet gebruik makend van een bord. Leerlingen luisteren aandachtig of iets minder of helemaal niet. Dit beeld van de docerende leraar en de luisterende leerling zit hardnekkig in onze achterhoofden.

 

Maar als je zelf in het onderwijs werkt en dag-in-dag-uit collega’s voor de klas ziet staan, ervaar je dat voor de klas een sterke metafoor is geworden. Tegenwoordig zijn juist leerlingen aan zet : het lokaal is niet meer vooral een collegezaal. Nee, het leslokaal is veelal veranderd in een werkplaats. Een werkplaats voor jongeren met een begeleider voor de klas. Het doceren is gedoseerd tot een aantal momenten in de les. Want ja, wie moet er nu eigenlijk iets leren?

 

School is naast een leerhuis ook een leefgemeenschap. Of je wilt of niet: leerlingen worden nadrukkelijk ook gevormd in het onderwijs. De waarden en normen van leerlingen en docenten komen expliciet of impliciet aan de orde. Er staat een mens voor de klas en er zitten mensen in het lokaal. Mensen die elkaar ervaren en zien (zitten) of niet. In dat huis wil je bezig zijn met het onderzoeken van ver weg en dichtbij. Je wilt niet eenzijdig ontwikkeld worden, maar ingevoerd worden in verschillende leer- en ervaringsgebieden. Heel de mens, zoals in onze missie omschreven staat. Dus naast de vakken Nederlands, Engels en wiskunde ook levensbeschouwing en geschiedenis.

Fijn als ik in een vrij uur door de gang loop het bovenstaande nadrukkelijk tegenkom: actieve leerlingen, zittend in verschillende opstellingen, bezig in verschillende werkvormen.

 

Onderwijsverhalen zijn vaak verhalen waarin men naar een bepaald ideaal toe werkt. Het is daarom fijn te ervaren dat veel van het bovenstaande allang de dagelijkse praktijk is. Het is er al en laten we dat oude beeld van het begin nu eindelijk eens aanpassen. Het is allang een onderdeel geworden van ons onderwijs. Een onderwijs dat gestoeld is op een actieve brede vorming.

 

 

Peter van Lange, docent

"Met haar enthousiasme, passie en interesse bereikte ze mij. Het voelt gewoon goed."

Vertrek van dochters

 

Ze moesten inderdaad gaan, ik had het gezien

aan hun gezichten die langzaam veranderden

van die van kinderen in die van vrienden,

van die van vroeger in die van nu.

En gevoeld en geroken als ze me kusten,

een huid en een haar die niet meer voor mij

waren bedoeld, niet zoals vroeger,

toen we de tijd nog hadden.

Er was in ons huis een wereld van verlangen,

geluk, pijn en verdriet gegroeid, in hun

kamers waarin ze verzamelden wat ze mee

zouden nemen, hun herinnering.

Nu ze weg zijn kijk ik uit hun ramen en zie

precies datzelfde uitzicht, precies die

zelfde wereld van twintig jaar her,

toen ik hier kwam wonen.

 

(Rutger Kopland, Vertrek van dochters, in: Geduldig gereedschap - Van Oorschot, Amsterdam (1993)

 

Met dit gedicht sloot Loes Scholder mijn diploma-uitreiking en haar tijd als mentor af. Wellicht omdat poëzie een van de onderdelen is binnen het schoolvak Nederlands, maar ook omdat Loes een prettige, gezellige mentor was, met hart voor haar vak. Iets dat mij destijds heeft geïnspireerd, want na deze avond zou ik starten met mijn studie: de lerarenopleiding Nederlands.

 

Terug naar 2008: ik was 15 jaar, zat in 4 havo en twijfelde enorm over mijn studiekeuze. Fysiotherapie had eerst mijn voorkeur, maar na een maand biologie te hebben gehad op school, kwam ik er al gauw achter dat dit niet was wat ik zocht. In deze periode had ik voor het schoolvak Nederlands les van Loes. Ik ging met plezier naar school en merkte dat ik ook de lessen Nederlands interessant vond. Niet alleen wat betreft de lessen literatuur, maar juist ook alle andere facetten van het vak spraken mij aan. Al gauw merkte ik dat ik voldoening haalde uit het schrijven van betogen, columns en andere teksten en daarnaast het debatteren en presenteren. Juist in de bovenbouw realiseerde ik mij dat Nederlands meer was dan alleen maar grammatica, spelling en het behandelen van tekstbegrip. Lees verder

"...mijn voorrecht om voor even een deel te zijn in hun leven"

De docent


Ik sta op en ik leef
omdat ik er mag zijn
zonder schijn
echt en oprecht
terwijl ik de vrijheid beleef
en mijn inspiratie doorgeef
met veel geluid
of in stilte
los en vrijuit
zonder kilte
met muziek
en beweging
pedagogiek en vergeving
didactiek als beleving
met kwetsbaarheid en kracht
met pracht en zonder macht
gepland en onverwacht
omdat ik hard zeg wat ik doe
en doe wat mijn hart zegt
blijf ik oprecht
met mijn voorrecht
om voor even
een deel te zijn in hun leven
en hopelijk zal ik met kleine beetjes
mee kunnen werken aan hun ideetjes
niet als twijfelaar, maar als Twickelaar.

 

Amanda Ganeshi, docent
 

"Ik sta op en ik leef"

Ik sta op en ik leef

 

Ik sta op en ik leef,

omdat ik er mag zijn.

Waar ik ben, verschilt per moment;

doch waar ik ga, word ik gekend.

Wat ik volg, valt met woorden te beschrijven,

maar blijft door hart, hoofd en hand beklijven.

Wat ik maak, past bij wie ik ben,

met een ander als grootste fan.

Waar ik naartoe reis, heeft bestemming onbekend,

tijdstip onbekend en dat maakt het leren ongekend.

Waar ik kom, krijg ik de waardering;

voor mij als persoon en als leerling.

Waar ik werk, maak ik een product,

en leer juist wanneer het niet lukt.

Waar ik ga, kijk ik trots naar achterom;

naar op wat ik achterlaat en op waarom.

Niet als twijfelaar, maar als Twickelaar.

 

Sander Scholten, docent

"Je moet niet denken dat ik het leuk ga vinden"

Literatuurgeschiedenis in 4 havo stuit altijd op boze, vermoeide en afwijzende gezichten. “Wat móeten we daar nou mee?!” roepen de leerlingen in een klaaglijk, verwijtend koor. En toch gaf ons prachtige programma aan dat het er weer tijd voor was. Dus begin ik altijd met een hele les over het waarom en waartoe en hoe rijk het je maakt dat je oude teksten kunt begrijpen en doorgeven, over hoe humoristisch de oude teksten zijn en hoe religieus, en hoe lastig het moet zijn geweest als je slim genoeg was, maar niet kon lezen, zodat je alles moest horen en/of zien. En dat onze cultuur in een continue lijn vanuit die oude teksten naar ons toe komt. En dat niemand het woord Duytsch in het Wilhelmus goed uitlegt, dus dat ik dat wel moet uitleggen, zodat zij de juiste betekenis ‘s avonds bij de aardappelen aan de familie kunnen verkondigen. Enzo…

 

Tijdens die les viel mijn oog op Caroline. Beslist een mooi meisje, maar door haar gezichtsuitdrukking van dat moment een kwaadaardig monstertje. Hoe durfde ik zulke stomme dingen te zeggen, sprak haar gezicht. Toen ik haar met een sierlijk gebaar en een als tegenwicht overdreven vriendelijk: “Alsjeblieft!” de reader overhandigde, gromde ze slechts een beetje. Ze keek me aan alsof ik haar net iets bijzonder smerigs had aangeboden.

 

De volgende lessen bleef haar gezicht op onweer staan. Strak en emotieloos hoorde ze mijn verhalen en grappen aan. Welke domme, onhandige, humoristische, smoorverliefde, geile of juist diepreligieuze figuur uit de literatuur ik ook tot leven probeerde te roepen, Caroline hoorde het aan als een dood vogeltje. Drie aapjes: niks gezien, niks gehoord, niks gezegd. Maar ik kan het niet helpen: de verhalen maken mij razend enthousiast. Als je maar enig voorstellingsvermogen hebt, voel je mee met andere tijden, gedachten en personen, denk ik dan. Hoe zou je “Lanseloet van Denemarken” kunnen lezen en begrijpen, zonder te denken: “Sukkel, ga dan achter haar aan! Doe iets, zak tabak!” En hoe ergerlijk moet het dan niet zijn als de slappe zak nota bene zijn bediende stuurt om Sanderijn terug te halen, de liefde van zijn leven! En dan aan het eind van het verhaal sterven van verdriet om het verlies van je geliefde! Ja, ja, zo lust de moderne lezer er nog wel één…

 

Ik weet niet meer in welke les het precies was, maar opeens merkte ik dat ik na een les alleen overbleef met Caroline. Bijzonder traag pakte zij haar tas in, liep langzaam naar voren en in het voorbijgaan siste zij de nu voor mij historische woorden: “Je moet niet denken dat ik het leuk ga vinden!” Ik begon nog aan: “Nee, joh, dat hoeft ook helemaal niet,” maar ze was al weg. Ik grijnsde, ik was binnen.

 

Hans van Veen,

docent Nederlands

"U bent voor mij een voorbeeld."

Volg Carmel op social media

Wil je Carmel beter leren kennen of op de hoogte blijven van nieuws en vacatures? Bezoek dan regelmatig onze site: www.carmel.nl of volg ons via social media. Je vindt ons op: