'M'n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar één ding: de jaren of wat dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren wij enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens hoor, al zal ik dat jullie nooit zeggen.' Met deze legendarische woorden sluit meester Staal zijn dagboek af in De gelukkige klas (1926), het meesterwerk van Theo Thijssen. Thijssen was een Amsterdamse volksjongen, later vakbondsman, politicus en schrijver, maar bovenal een gepassioneerd onderwijzer. Honderd jaar later begrijpt hij nog steeds als geen ander waar de kern van ons vak ligt. Niet in strakke systemen, maar in de dynamiek tussen leerling en leraar.
De laatste periode van het schooljaar kenmerkt zich door overgangsvergaderingen, rapporten schrijven, warme overdrachten en natuurlijk… de examens. Met de daarbij behorende strijd om dat felbegeerde papiertje. Dat papiertje moet dan de heilige graal zijn. Maar moeten we ons blindstaren op die heilige graal? Ik denk van niet.
Maandagmorgen, 8.15 uur. Ik neem mijn plekje in achter de balie naast de conciërge. Even een geintje over het weekend en dan halen we een bakje koffie in de keuken. Veel leerlingen zitten al in de kantine, ook de docenten druppelen binnen. Ondertussen rinkelt de telefoon - ouders bellen om het wel en wee van hun kind te delen met de conclusie dat naar school gaan er niet in zit vandaag. In de keuken wisselen de docenten zich af voor een praatje, over het voetbal van het afgelopen weekend of het invalrooster dat op het prikbord hangt.