Carmel sticht Innovatiefonds
maandag 6 juli 2026
Wat kan beter in onderwijs en bedrijfsvoering? Elke medewerker wordt uitgedaagd om daarover na te denken en ideeën in te dienen. Laat je vooral niet weerhouden door de gedachte dat het ‘toch’ niet kan. Droom juist groots. Met het eigen Innovatiefonds schept Carmel ruime mogelijkheden om onmogelijk geachte oplossingen voor knelpunten en dromen te onderzoeken. Vooraf: wat innovatie precies is, is vaak afhankelijk van de context. En wat als innovatie wordt aangekondigd, kan soms beter als optimalisatie worden benoemd. Dan gaat het om verbeteringen of aanpassingen binnen de bestaande kaders. Die zijn waardevol, maar het Carmel Innovatiefonds zoekt vooral naar innovaties die door systeem en cultuur heen breken. Die, met andere woorden, werkelijk vernieuwingen introduceren.
En dan komen we op een terrein dat iedereen wel kent. In elke school, niet alleen van Carmel, en in elke locatie valt weleens de verzuchting te beluisteren: “Konden we het maar zus doen of zo doen.” Want de school maakt deel uit van de maatschappij, die in steeds hoger tempo verandert en nieuwe eisen stelt. Leerlingen vragen meer persoonlijke aandacht en betere aansluiting op hun leefwereld. En Carmelscholen willen meer dan enkel kennis overdragen. Kennis is immers maar de helft.
Dus ja, “Konden we het maar zus doen of zo doen.” Want altijd zijn er jaarlagen, klassen en lesroosters, en legt het schoolgebouw fysieke beperkingen op. De cultuur van het onderwijs kan eveneens remmen. Loslaten van wat misschien niet meer helemaal voldoet, maar zeer vertrouwd is, is moeilijk. Je weet wat je prijsgeeft, nooit wat je ervoor terugkrijgt. En die leerling moet straks wél met een diploma naar buiten kunnen.
Zo komen mooie ideeën vaak niet tot wasdom. Het kan niet, past niet in het systeem, is misschien wel te ingrijpend, terwijl resultaat niet is verzekerd.
“Konden we het maar anders doen” is vaak in verschillende vergaderingen te horen geweest. Een notitie over systeem- en cultuurdoorbrekende innovaties was er het gevolg van. “Op dat moment werd mij gevraagd om de wensen uit die notitie mogelijk te maken”, vertelt Kees van Rossenberg. Als innovatiecoach heeft hij ruime ervaring in het bedrijfsleven, het onderwijs en de zorg. “Zonder implementatie geen innovatie”, stelt hij. Hij legt uit dat Carmel met het Innovatiestimuleringsfonds, kortweg het Innovatiefonds, de grenzen wil verleggen. Ideeën en gedachten ‘die toch niet kunnen’ en nieuw zijn voor Carmel worden nu gezocht. Iedereen kan ze indienen, docenten, medewerkers en schoolleiders. Het fonds wil zo serieuze vernieuwingen mogelijk maken en veelbelovende ideeën ruimte geven. Financieel en in uren. Daarvoor geldt een eigen procedure (zie kader), want het gaat om geld dat in het verleden is bijeengebracht door alle scholen. "En, wat steeds wordt benadrukt: zo’n idee moet de leerlingen ten goede komen, daarvoor bestaat Carmel.”
Maar, benadrukt Kees vervolgens, er is meer nodig dan een Innovatiefonds. “Om innovatie structureel van binnenuit te stimuleren, moet je ook investeren in een innovatieklimaat. Dan creëer je mogelijkheden om de bestaande cultuur te doorbreken.”
Hij vervolgt: “Een belangrijke randvoorwaarde om vernieuwingen na een succesvol experiment te kunnen invoeren en borgen, is het bestaan van een verandercultuur en -systematiek. Daar zijn voorbeelden van. Je zou die kunnen stimuleren door tijdens overleggen ook echt grote problemen te benoemen. Eens in de zoveel tijd zet je die bovenaan de lijst. Dat schept al ruimte, je gaat vanzelf kijken naar mogelijke oplossingen. Je blijft nog binnen de bestaande structuren, maar dit kan een voedingsbodem zijn voor de stevige aanvragen, die Carmel nu zoekt.”
Voorbeelden zijn er al van initiatieven, die in meer of mindere mate door de bestaande structuren breken. Neem het Mondriaan College in Oss, onderdeel van Het Hooghuis. Havoleerlingen hebben elke week een volledige praktijkdag. Alle theoretische vorming vindt in de vier andere dagen plaats. “Dat is anders dan op de meeste scholen”, weet locatiedirecteur Robbert van der Veer. “De praktijk is hier geen keuzevak, alle havoleerlingen doen eraan mee. Ze gaan naar bedrijven en instellingen, werken aan hun vaardigheden. We geven hen de ruimte om zich zo breed mogelijk te ontwikkelen. Hun onderzoekende houding wordt gestimuleerd, ze krijgen een beter beeld van zichzelf en van mogelijke beroepsrichtingen.”
Dat vraagt intussen wel iets. Leerlingen zetten extra stappen om theorie en praktijk naast elkaar te doen. Toch zijn ze enthousiast, ze putten er inspiratie en motivatie uit. “De huidige generatie havisten verschilt van haar voorgangers. Die nadruk op theorie past niet meer. De ouders zijn eveneens enthousiast, de reacties vanuit het hbo zijn positief. Onze leerlingen zijn gewend aan projectonderwijs en hun onderzoekende houding is aangescherpt.”
In Almelo begint het Pius X College met Pius neXt, zowel voor mavo, havo en vwo. “De leerlingen krijgen meer praktijk. Ze gaan samenwerken met bedrijven en instellingen. Het onderwijs wordt meer modulair aangeboden en we integreren vakken”, legt rector Harald Huijssoon uit. “Leerlingen krijgen meer ruimte om te experimenteren. Dat motiveert en daagt uit. Als ze die vrijheid krijgen, gaan ze andere dingen zien. Leraren krijgen zo de kans om vanuit die observatie aan de pedagogische relatie met hun leerlingen te bouwen. Je bent toch allereerst pedagoog en pas daarna vakdocent, en we leiden op voor het leven.”
Zijn denken gaat al verder. “Onze vwo-leerlingen moeten nu omstreeks 32 uur per week op school zijn. Wat zou er gebeuren als we daarvan, zeg, zeventien uur maken? Met de digitale technieken van nu en met inzet van AI kan dat. Dan krijgen ze ruimte om zelf hun werk in te delen en zelf na te denken. Ik zou het aandurven. Het schoolse systeem is ook maar een systeem, in de wereld van nu moet je dingen durven proberen. En dan mag het mislukken, daar leren we van. Die leerlingen krijgen we evengoed wel door het examen.”
Van een heel andere orde dan de initiatieven in Oss en Almelo, is de Agora-afdeling van het Carmel College Salland (CCS) in Raalte. Leerlingen hebben hier een heel andere dagindeling, met onder meer een gezamenlijke dagstart, een halfuur stiltetijd na de middagpauze en een gezamenlijke dagafsluiting. Tussendoor werken ze aan ‘challenges’, waarin ze zelf vragen stellen en zelf onderzoeken en ontdekken. Daarbij hebben ze zelf de regie, en leren ze van en met elkaar. Agora op CCS is dit schooljaar begonnen, met 26 leerlingen van verschillende niveaus. Ze krijgen begeleiding van Dieuwertje Kuppens, van origine docent geschiedenis, Mark van Dasler, docent natuurkunde en Nina Nijenhuis, docent praktijkonderwijs.
“We zochten iets wat leerlingen meer plezier geeft en stimuleert”, licht Mark toe. Het Agora-concept sprak het meest aan, omdat het leerlingen meer autonomie geeft, en meer ruimte om eigen interesses en talenten te ontdekken. Daarnaast biedt het ook Dieuwertje en Mark meer dan wat ze ‘het klassieke onderwijs’ noemen. “Er is geen lesrooster meer, dat geeft veel meer speelruimte”, weet Dieuwertje. “In dit concept zie ik de leerlingen veel meer, en kan ik ze beter ondersteunen en begeleiden. Dat past bij het motto van de hele school: ‘We zien je écht.'" En Mark: “In de klassieke route zag ik veel leerlingen met motivatieproblemen. Ik zie hier bij de leerlingen het plezier dat ik zelf ook heb.”
Uiteraard valt over mogelijke uitkomsten nog niets te zeggen, het Innovatiefonds moet nog beginnen. De eerste ideeën gaan al rond. Zo wordt een zingevingsschool genoemd, die goed past bij de identiteit van Carmel. Misschien een school die extra inzet op AI, waardoor meer tijd wordt vrijgespeeld voor lesvoorbereiding en de begeleiding van leerlingen. Of waardoor de bedrijfsvoering wordt verbeterd.
“Ik ben heel positief”, laat Kees optekenen. “Ik zie een groeiend bewustzijn dat dingen kunnen veranderen. En we zien dat er al aansprekende vernieuwingen gaande zijn. Het mooie is dat ze uit de scholen en de leraren zelf komen, en dat ze het zelf ook uitvoeren. Dan is het eigen, het komt niet van bovenaf en niet van buitenaf. Ik zou ook de leerlingen betrekken, die hebben vaak heel originele oplossingen, omdat ze minder worden beïnvloed door systeembegrenzingen.”
Mooie woorden. Maar het echte laatste woord is aan jou, lezer: kom met je ideeën. Jij weet nu dat ze meer dan welkom zijn.
Stel: jij hebt als medewerker een idee om een probleem of knelpunt op te lossen. Je denkt er vaak over, maar je vraagt je af of het realiseerbaar is. Want ja, er zijn de bestaande structuren en daar past jouw oplossing niet in. Kees van Rossenberg: “Juist die ideeën worden nu gezocht.” Je formuleert het urgente vraagstuk én de creatieve oplossing, die je daarvoor ziet. Wat gebeurt daarna?
In het kort: eerst gaat het naar een adviescommissie, met onder meer een docent, een teamleider, een schoolleider en externen. Deze commissie waardeert het idee of plan en toetst het aan de koers en identiteit van Carmel. Is het gemotiveerd genoeg om verder te onderzoeken, dan legt ze het met een positief advies voor aan het College van Bestuur. Uiteindelijk kan dat leiden tot ruimte om te experimenteren. “In dat stadium onderzoek je alles waaraan je nog twijfelt. Is het haalbaar? Betaalbaar en schaalbaar? Zo ja, dan kun je starten met het implementatietraject.”
Het kan ook dan nog zijn dat de uitkomst niet het gewenste resultaat oplevert. Opnieuw Kees: “Dat is jammer, maar niet erg. Dan is het getest, en de ervaring leert dat alleen al daardoor vaak weer nieuwe ideeën ontstaan.”
Tekst: Hans Morssinkhof Fotografie: Niki Kits-Polman
Categorieën: Nieuws/ Uitgelicht Tags: Innovatiefonds/ Carmel Innovatiefonds Vertoningen: 215